De val van de laatste heer van Sonsbeek

Willem van Heeckeren moest landgoed verkopen, maar waarom eigenlijk?

door Ad Habets

Over de familie van Heeckeren die op Sonsbeek woonde is maar weinig bekend. Men spreekt altijd over 'baron van Heeckeren' alsof het één persoon betreft, maar tussen 1820 en 1898 woonden er drie generaties baronnen Van Heeckeren op Sonsbeek. Het bleef altijd vaag waarom de laatste van Heeckeren het landgoed verkocht. 'Familieomstandigheden', zei men. Wat was er aan de hand?

Willem van Heeckeren van Enghuizen was de jongste kleinzoon van Hendrik Jacob Carel Jan van Heeckeren, de stichter van Groot Sonsbeek. Willem werd geboren op 3 juli 1858. Zijn broer Henri was een jaar ouder. Ze waren nog peuters toen hun vader Louis werd opgenomen in het krankzinnigengesticht Meerenberg. Tien maanden later overleed hun moeder Francina. Willem en Henri waren dus al vroeg wees. Ze zouden opgroeien op Sonsbeek, geleid door voogden en bemoederd door dienstpersoneel.

Tot hun vroegste indrukken in het witte huis op de heuvel behoorden een grootmoeder, die eenzijdig verlamd op haar einde wachtte (dat kwam in 1860) en een grootvader die langzaam bezweek aan reuma en jicht. Hij overleed in mei 1862, 77 jaar oud.

Het echtpaar Van Heeckeren-Hope liet een fortuin na. De helft kwam direct op de naam van de jongens, de andere helft, waaronder het landgoed Sonsbeek, zou hun pas in 1883 toevallen, nadat hun vader in het gesticht was overleden. Het fortuin bestond uit grondbezit en staatsobligaties. Het grondbezit omvatte niet alleen het landgoed Sonsbeek zoals wij het nu kennen, de 67 hectaren park rond de witte villa, zelfs niet de 500 hectaren Sonsbeek, die de gemeente Arnhem in 1899 in handen kreeg, het ging om een veelvoud daarvan. Naar het zuiden toe reikte hun bezit tot de stadssingel (later tot de spoorweg), naar het zuidwesten tot de Amsterdamseweg, naar het oosten tot de Hommelseweg.

Noordwaarts strekte het zich uit tot de Koningsweg. Daarboven lag de heide van Schaarsbergen en Otterlo. Voorbij het gehucht Laag Deelen was ook deze heide eigendom van de Van Heeckerens. De lange dreven die men daar nu aantreft zijn nog door de oude Van Heeckeren aangelegd. De heide en zandverstuivingen werden beplant met grove den. Het nieuwe bos werd Deelerwoud genoemd. Het was ruim 1.400 hectare groot en diende als jachtgebied. De noordgrens werd bepaald door Varenna, het landgoed van de Velpse familie Del Court van Krimpen.

Inclusief Sonsbeek bezat de familie Van Heeckeren ten noorden van de stad Arnhem 25 vierkante kilometer bouwland, bos en woeste grond. Maar dat was niet alles, want men had ook nog onroerend goed in Hummelo (landgoed Enghuizen), Werkhoven (landgoed Beverweerd), Steenderen, Elden (De Stoeterij), Arnhem (Kleefse Waard) en een dubbel woonhuis aan de Lange Voorhout in Den Haag. Tiendrechten, pachten en verkoop van hout, rogge en gras brachten jaarlijks nog eens tienduizenden guldens in het laatje.

Door deze omvangrijke bezittingen behoorde de familie Van Heeckeren-Hope tot de allerrijksten van het land. Verder ontvingen ze elk half jaar zo'n 40.000 gulden rente op beleggingen in Nederlandse staatsschuld. Tegenover deze rijkdom stond het verlies van drie van hun kinderen en kort voordat ze zelf overleden, moesten ze hun jongste zoon Louis laten opnemen in het krankzinnigengesticht Meerenberg.

Van 1863 tot 1870 vermeldde het adresboek van Arnhem als bewoner van Sonsbeek:
F.F.J.H. van Heeckeren van de Cloese (1799-1870). Dat was de grootvader van Henri en Willem van moederszijde. Hij werd hun eerste voogd en voerde daarnaast het beheer over de nalatenschap van zijn schoonzoon Louis. Frederik van Heeckeren was getrouwd met Anna Maria Schas. Hij was al 64 toen hij Henri en Willem opnam in zijn gezin. Toen Frederik in 1870 overleed volgde Jan Werner van Pallandt hem op als voogd en curator.

Eerste verkoopgolf

Vader Louis overleed op 17 juli 1883 na een verblijf van 23 jaar in Meerenberg. De lawine van onroerendgoedtransacties die na zijn dood losbarstte doet vermoeden dat voor zeker één persoon zijn dood als geroepen kwam: zoon Willem. Daarover later meer. Willem was op zijn 19e getrouwd met een verre nicht, Charlotte van Heeckeren van Molecaten, een door zijn stiefmoeder gearrangeerd huwelijk. Zij hadden een dochter Marguérite. Willem woonde met zijn gezin op Sonsbeek. Samen met zijn broer Henri werd Willem eigenaar van het Van Heeckerenfortuin. Op 1 december 1883 verdeelden zij alvast een deel van het onroerend goed. Willem kreeg Sonsbeek met omliggende landerijen en een uiterwaard bij Olburgen. Henri kreeg Enghuizen en ging daar ook wonen. Direct na de verdeling gaf Willem de notaris opdracht om delen van zijn bezit te verkopen.

Wat betreft de Arnhemse bezittingen ging het om de gronden 'gelegen tussen de Amsterdamsche en Zijpendaalsche wegen en tussen de Apeldoornsche en Hommelsche wegen', gronden dus buiten het omheinde gedeelte van Sonsbeek, die verpacht waren als akker en moesgrond. De notaris liet er geen gras over groeien. In januari 1884 plaatste hij een advertentie waarin de veiling werd aangekondigd van gronden in Steenderen, Elden en Arnhem, alle eigendom van Willem van Heeckeren. Daarnaast verkocht Willem de hofstede Vagevuur in Odijk, onderdeel van het landgoed Beverweerd, aan zijn broer.

De Arnhemse gronden tussen de Apeldoornscheweg, Hommelscheweg en Sonsbeeksingel werden verworven door enkele boeren uit Sint Marten en een nieuwkomer, Thomas Etty. Deze kocht het grootste deel en zou daarop de nieuwe wijk Sint Marten stichten. Aan de andere kant van Sonsbeek, boven de Zijpendaalseweg, werden de gronden onderhands verkocht. De notaris benaderde villabewoners aan de Amsterdamseweg en bood ze grond aan de overkant van de straat aan. De meesten lieten de kans niet voorbijgaan om zich door de koop te verzekeren van een blijvend vrij uitzicht over het dal van de Sint Jansbeek. Ook zes pachters aan de Zijpendaalseweg gingen over tot aankoop van hun grond. Het resterende grootste stuk ging ook hier naar Thomas Etty. Willem van Heeckeren haalde met de grondverkopen in Arnhem, Elden, Steenderen en Odijk ruim 800.000 gulden op, waarvan de helft uit Sonsbeek. Het was een noodsprong.

Want toen hij eind 1883 opdracht gaf te verkopen zat hij danig In het nauw. Op 25 april 1883 was in de Arnhemsche Courant onder de rubriek Rechtszaken dit berichtje verschenen: "Bij vonnis der Arrondissements-rechtbank te Arnhem dd. 24 april ll. zijn veroordeeld op grond van art. 334 C.P. al.1 enz.: 1e M. Krijlen, vrouw van Besoijen tot eene gevangenisstraf van 2 jaar en eene boete van ƒ25; 2e F.Ch.J. Krijlen tot eene gevangenisstraf van 6 maanden en eene boete van ƒ25; 3e W.A.M. baron van Heeckeren tot eene cellulaire gevangenisstraf van 6 maanden en eene boete van ƒ25."

De krant was niet erg expliciet over het misdrijf, maar heel Arnhem wist wat er aan de hand was. Artikel 334 handelde over ontucht met minderjarigen. Minderjarig betekende in dit geval: jonger dan 21. Hoofdbeklaagde was Maria Krijlen, een vrouw van 39, naaister van beroep, de tweede haar jongere broer Frederik, een werkloze man die in ruil voor kost en inwoning zijn zuster hand- en spandiensten verleende. Zij woonden in een bovenhuis aan de Rozendaalseweg. De twee hadden hun daden bekend en werden bij verstek veroordeeld.

Willem van Heeckeren verscheen wel ter zitting, bijgestaan door advocaat Van Geleijn Vitringa. Hij werd beschuldigd van het uitlokken en plegen van ontucht met minderjarige vrouwen, die hem op afspraak door de Krijlens werden toegespeeld. De ontucht was gepleegd in het najaar van 1882. Willem was toen 24 jaar, vijf jaar getrouwd en vader van een dochter van 4. Uit het vonnis wordt duidelijk wat er was voorgevallen. Van Heeckeren had vrouw Krijlen voorgesteld hem regelmatig tegen betaling meisjes op Sonsbeek te bezorgen. Ze moesten maagd zijn en hij wilde geen meisje vaker dan twee keer. Blijkbaar wilde hij de kans op een geslachtsziekte uitsluiten. Ze moesten ook lang zijn. Dat had te maken met zijn eigen postuur. Eén van de vrouwen getuigde dat zij op Sonsbeek gemeenschap had gehad 'met een langen heer met eene snor en een lorgnet voor de oogen'. De meisjes moesten worden gebracht op een afgesproken plek in het bos van Sonsbeek. Als er een oproep van Van Heeckeren kwam, bracht Frederik Krijlen een meisje samen met zijn zuster naar Sonsbeek.

Ze liepen dan 's avonds de Apeldoornseweg omhoog, die toen nog smal en donker was. Bij het bos van Sonsbeek aangekomen ging vrouw Krijlen met het meisje verder 'links langs het rasterwerk' en gaf haar over aan de baron.

De meeste vrouwen herkenden tijdens de rechtszitting Willem van Heeckeren als hun klant. Uit de beschrijving valt op te maken dat de ontmoetingen plaatsvonden in het bos boven de karpervijver. Van Heeckeren ontkende dat hij eisen had gesteld aan de leeftijd, maar gaf toe dat hij een voorkeur had voor lange vrouwen. Hij kreeg niet de langste straf, wel de zwaarste. Hij werd veroordeeld tot een half jaar gevangenis maar moest die 'vanwege zijn geaardheid' doorbrengen in eenzame opsluiting. Willem ging in beroep tot de hoogste instantie, maar het baatte niet. Ook zijn gratieverzoek bij de koning werd afgewezen. Op 30 januari 1884 meldde hij zich bij de cellulaire gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam. Maar zes weken na binnenkomst stond hij alweer buiten. De gevangenisarts had vrijlating geadviseerd omdat Willem tekenen van krankzinnigheid zou vertonen. Hij zou erfelijk belast kunnen zijn, want zijn vader Louis was immers ook krankzinnig geworden. De Haagsche Courant suggereerde een opzetje rond de snelle vrijlating: 'Daar komt die sinjeur goed af. Men moet maar baron van Heeckeren heten.'

Voor Willem was de ellende nog niet voorbij, want zijn vrouw vroeg echtscheiding aan 'op grond van overspel door den man gepleegd' dat door de rechter werd ingewilligd, met alle gevolgen van dien. Zij waren buiten gemeenschap van goederen getrouwd, maar de wet voorzag in een alimentatieplicht voor de verliezende partij, gerelateerd aan diens vermogen. Charlotte nam mr. Izaak Everts als advocaat om voor haar te onderhandelen. Dochter Marguérite werd uiteraard aan haar toegewezen. Voor het levensonderhoud van haarzelf en haar dochter werd een bedrag van 24.000 gulden per jaar bedongen. Bovendien mocht Charlotte het landgoed verkopen als Willem niet netjes betaalde. Het kwam Willem daarom goed uit dat zijn vader in 1883 overleed. Door een deel van zijn erfenis te gelde te maken kon hij aan zijn financiële verplichtingen voldoen. Eind 1883 passeerden de eerste verkoopakten, in november 1885 de laatste. Executie van Sonsbeek was (nog) niet nodig.

Louis Francina Marguérite
Louis van Heeckeren (1830-1883)
Willems vader
portret door Anton Einsle, 1851
Francina van Heeckeren (1826-1861)
Willems moeder
portret door Johann Georg Schwartze, 1856
Marguérite van Heeckeren (1878-1938)
Willems dochter
olieverf door Adolf Pirsch, 1909

Dit is het eerste deel van een serie over het geslacht Van Heeckeren door Ad Habets.


De val van de laatste heer van Sonsbeek, deel 2

Van Heeckerens comeback en terugtrekking

door Ad Habets

Het eerste deel van dit artikel eindigde met de veroordeling van Willem van Heeckeren van Enghuizen wegens seksuele escapades met minderjarige vrouwen. Hij ging voor zes maanden eenzame opsluiting de cel in, maar kreeg al na zes weken gratie. Hoe verging het hem daarna?

Charmeoffensief

Hij mocht dan al na zes weken uit de gevangenis zijn ontslagen, de vernederende rechtsgang had Willems reputatie in stad en land zo beschadigd, dat hij zijn gezicht voorlopig niet liet zien. In de resterende maanden van 1884 handelde hij zijn zaken af - verdeling van de erfenis, verkoopopdrachten, echtscheiding - en bereidde zich voor op een langdurig verblijf in het buitenland. Na twee jaar keerde hij in Arnhem terug. Met een nieuwe vrouw, Mathilde Nouvel. Hij was op 1 november 1886 in St. Petersburg met haar getrouwd. Het huwelijk was het begin van een charmeoffensief richting elite. Hij begon met succes deel te nemen aan dressuurwedstrijden te paard en kreeg enige vermaardheid met zijn wagenspannen. In het najaar van 1890 begon hij met het organiseren van vossenjachten achter de honden. Daarmee stal hij de show. De vossenjacht was een elitair vermaak, overgewaaid uit Engeland. Het was een hippisch evenement, waaraan de illusie van een werkelijke jacht werd gegeven door te paard achter een meute honden aan te rennen. Die volgden een zogenaamde slip, een geurspoor dat zo was uitgezet dat men langs hindernissen kwam waarop de ruiters hun behendigheid konden tonen. De jacht werd afgesloten met een run achter een echte vos, die op het laatst uit een zak werd losgelaten. De run vond zijn einde in de 'kill', het vangen en doden van de vos door de honden. De Arnhemse vossenjachten werden tweemaal per week gehouden van eind oktober tot begin mei. Voor dat doel had Willem van Heeckeren in Engeland een meute aangeschaft, die hij de Gelria Hunt noemde. De kennel stond tegenover de huidige brasserie De Boerderij aan de Parkweg, waar nu een parkeerterreintje ligt. In Frankrijk kocht hij 68 vossen, genoeg voor een seizoen. Uit de jachtverslagen blijkt dat Willem, na de schande van zes jaar geleden, weer op goede voet stond met tenminste een deel van de Gelderse landadel. Tot zijn vaste gasten behoorde een schare grootgrondbezitters zoals De Constant Rebecque (Belmonte Wageningen), S.J. van Limburg Stirum (Lichtenbeek), Brantsen van Rhederoord, Brantsen van de Zijp, Del Court van Krimpen en legerofficieren uit Amersfoort, Arnhem en Zutphen. Mathilde verscheen een enkele keer te paard, maar schitterde meestal door afwezigheid. Na drie seizoenen had hij genoeg van de vossenjacht en bood zijn meute gratis ter overname aan.

Tweede verkoopgolf

In juni 1896 werd in de krant de scheiding van goederen aangekondigd tussen Mathilde Nouvel en Willem van Heeckeren. Sonsbeek werd toen al niet meer door hen bewoond. Ze waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Zolang nog over de voorwaarden van de echtscheiding werd onderhandeld verplichtte Willem zich tot een alimentatie van ƒ7.290 per jaar door inschrijving van een kapitaal van ƒ243.000 in het grootboek Nationale Werkelijke Schuld à 3%. Na twee jaar onderhandelen werd de echtscheiding uitgesproken, weer ‘op grond van overspel, door den man gepleegd’. Mathilde zal ongeveer een even groot bedrag hebben bedongen als haar voorgangster Charlotte, ƒ800.000.

Rond de echtscheiding deed zich weer een reeks van onroerend goedtransacties voor. Eerst kocht Willem het kleine landgoed Vrijland (45 ha) van Gerrit Coers. De villa van Coers was kort tevoren geplunderd en in brand gestoken. Vrijland was een 'stepping stone' tussen Sonsbeek en Deelerwoud, en een sta-in-de-weg voor Willems jachten vanuit Sonsbeek. Vervolgens legde hij de hand op het 654 ha grote landgoed Varenna bij Hoenderlo, dat grensde aan zijn eigen Deelerwoud. Op het station van Apeldoorn liet hij een paar treinwagons komen met een lading van 34000 meter gaas van twee meter breed om zijn jachtgebied Deelerwoud te omheinen. Kosten ƒ50.000.

Tegelijkertijd verkocht Willem al zijn eigendommen in Arnhem: 73 ha weiland in de Kleefsche Waard voor ƒ200.000 en 815 ha Sonsbeek voor ƒ751.000. Koper van beide goederen was de houthandelaar Hendrik Kooij jr. Willem van Heeckeren kocht en verkocht dus onroerend goed, maar in waarde stegen de verkopen ver uit boven de aankopen. Bij de verkopen mogen nog worden opgeteld die van de grond voor de latere Graaf Ottobuurt (ƒ135.000) en de opbrengsten van wat de Arnhemsche Courant 'een verbazende slooping van het Deelerwoud' noemde. De bomen die grootvader Hendrik in de jaren veertig had geplant werden door de kleinzoon geoogst. Het hout van de veertig- tot vijtigjarige dennen werd getransporteerd naar station Loenen voor export naar het buitenland en zou ƒ400.000 waard zijn.

Na de echtscheiding kocht Willem 300 hectaren terug van Kooij, het gebied waar tegenwoordig Burgers Zoo, het Openluchtmuseum en de Oranjekazerne liggen. Het gebied grensde aan het nieuw verworven Vrijland. Het lijkt erop dat hij zich hier wilde vestigen. In 1899 liet hij op Vrijland een nieuw jachthuis bouwen en ging daar ook wonen, maar hij bleef maar kort. Vijf jaar later verkocht hij Vrijland weer, samen met de 300 hectaren bos. Hij liet zich uitschrijven naar Parijs. Dat betekende echter niet dat hij Nederland volledig de rug toekeerde.

Op Varenna liet hij een landhuis met paardenstallen bouwen. Hij schafte een nieuwe meute Franse honden aan, die hem onder de naam Equipage du Deelerwoud zou vergezellen bij de jacht op ree. Willem had in Frankrijk de jacht op grof wild leren kennen en ging deze nu op eigen terrein beoefenen met eigen gasten. Hij had de jachtvereniging niet meer nodig. En de vereniging had hem niet meer nodig want die beschikte inmiddels over een eigen meute onder leiding van Willems morele tegenpool, de bijbelvaste Alexander van Heeckeren van Kell, heer van Bingerden. Het lijkt erop dat de landjonkers van de Veluwezoom zich van Willem van Heeckeren afkeerden. In 1910 verkocht Willem ook Deelerwoud en Varenna en vertrok definitief naar Parijs.

Zijn grootvader had het huis op de Hartgersberg ooit gekocht omdat hij verrukt was van de ligging: een paleisje in het groen met de stad aan zijn voeten. Dat hij de stad aan zijn voeten kreeg, hield ook het tegenovergestelde in: dat de stad tegen hem opkeek. Vanaf 1883 zal men bij de aanblik van Sonsbeek andere gedachten hebben gehad.

Resumé

Willem van Heeckeren verloor zijn ouders op zeer jonge leeftijd. Hij groeide op onder voogdij samen met zijn broer Henri op Sonsbeek. Op zijn negentiende stapte hij in een gearrangeerd huwelijk met een verre nicht, waaruit een dochter werd geboren. Willem parasiteerde op geërfd vermogen. Hij had geld in overvloed en alle tijd om het uit te geven. Maatschappelijke functies waren aan hem niet besteed. Hij was een verdienstelijk ruiter en verzot op jagen. Uit verspreide en schaarse bronnen rijst het beeld op van een sportieve, stuurloze, niet al te slimme schuinsmarcheerder. Hij ging in de fout toen hij op Sonsbeek tegen betaling seks had met minderjarige vrouwen. Het bracht hem in de gevangenis en leidde in 1884 tot zijn eerste echtscheiding. Om de alimentatie te kunnen betalen moest hij grond verkopen. Tien jaar later herhaalde de geschiedenis zich. Ook zijn tweede huwelijk eindigde in echtscheiding en weer dwongen alimentatieverplichtingen hem tot grondverkoop. De eerste scheiding kostte hem stukken uit de rand van Sonsbeek, de tweede de rest van het landgoed. De verkopen waren de opmaat tot de bouw van het tegenwoordige Sonsbeekdistrict.

Na 1898 was Willem van Heeckerens rol in Arnhem uitgespeeld. Hij trok zich terug, eerst op Vrijland, later op Deelerwoud-Varenna en tenslotte in Parijs waar hij in 1915 overleed. Hij werd naast zijn moeder begraven in Tours. Zijn dochter Marguérite erfde later de bezittingen van haar oom Henri, de landgoederen Enghuizen en Beverweerd. Haar vader had zijn fortuin erdoorheen gejaagd.

Dit is het tweede deel van een serie over het geslacht Van Heeckeren door Ad Habets.

Over de auteur

Ad Habets is stedenbouwkundige.


Transvaalbuurt was wisselgeld

bij aankoop van Sonsbeekpark

Projectontwikkelaar Kooij verwierf landgoed Sonsbeek eind 19e eeuw van de in geldnood verkerende baron W.F.M.H. van Heeckeren. Zijn exploitatiemaatschappij verkocht vervolgens in 1899 het grootste deel aan de gemeente Arnhem maar bedong dat hij nauw betrokken zou worden bij de ontwikkeling van de nog aan te leggen Transvaalbuurt. Daarmee werd voorkomen dat een grootschalige kap van bomen het gebied zou ruïneren. Want dat was het plan van de baron.

Wat zien we nog terug van de oorspronkelijke situatie voordat de Transvaalbuurt werd gebouwd? Van grofweg 1300 tot 1800 werd het landschap bepaald door het dal van de Jansbeek waar tot aan de stadsrand zeven molens draaiden. Toen de hoge spoordam werd aangelegd ontstond een totaal andere situatie: hiermee werd de visuele verbinding met de stad verbroken.

Citaat Joop Morsink: Vroeger, voor de aanleg van de spoordijk in 1853 en de parken Sonsbeek, Zijpendaal en Gulden Bodem, kon men vanaf de stad in de lengterichting door het beekdal omhoog kijken tot aan kasteel Zijpendaal. Het moet een indrukwekkend gezicht zijn geweest: het lange beekdal waar verscholen tussen de struwelen de watermolens draaiden. Op de flauwe hellingen van het beekdal zien we aan de linkerzijde heidevelden en aan de rechterzijde gras- en bouwlanden.

In 1898 koopt NV Maatschappij tot Exploitatie van het landgoed Sonsbeek van baron W. van Heeckeren een gebied van in totaal 815 hectare voor 750.000 gulden. De baron verblijft in Parijs, jaagt daar zijn geld erdoor en heeft dus voortdurend financiële aanvoer uit Arnhem nodig. Houthandelaar Hendrik Kooij is, naast bankier Berends, oprichter van de exploitatiemaatschappij. Hij zou grote invloed hebben op de ontwikkeling van de Transvaalbuurt.

Park blijft park

De gemeente Arnhem koopt een jaar na de transactie van de NV met de baron 507 hectare grond voor 800.000 gulden. De ontwikkelaar maakt daarmee dus al een aardige winst. De stad heeft op deze wijze de positie te eisen dat het gebied van park Sonsbeek vrij blijft van bebouwing. De toenmalige directeur gemeentewerken ir. J.W.C. van Tellegen heeft hierin een zeer belangrijke rol gespeeld. Hij haalt het stadsbestuur over deze grote investering te verrichten in het belang van de gemeenschap. In het resterend stuk grond, De Punt, kan Kooij de bouw en exploitatie van panden ter hand nemen. De gemeente stelt als voorwaarde dat zij het stratenpatroon bepaalt en aanlegt, die kosten zijn in de koopsom verwerkt.

Stratenpatroon

Aan de noordwestzijde wordt de Transvaalbuurt begrensd door de Sonsbeekweg met daarnaast park Sonsbeek. In het oosten vormt de Apeldoornseweg de grens met de wijk Sint Marten. De zuidelijk begrenzing vormt de Sonsbeeksingel met de hoge spoordam. Aan de westkant ligt de Zijpendaalseweg met de Burgemeesterswijk. Voor de hoofdontsluiting, de Paul Krugerstraat, werd één van de stervormig verlopende wegen verlengd van het Sonsbeekkwartier, de Jacob Cremerstraat. De Steijnweg volgt het tracé van een oude veldweg die in Sint Marten naar het noorden afbuigt. Bij het Bothaplein stond aan de Jansbeek de Prümermolen. Rond 1900 is die afgebroken en werd op deze plek een brede brug over de Jansbeek gelegd.

Citaat Joop Morsink: Waar momenteel de De la Reijstraat met waterpartijen en een fraaie Jugendstilbrug over de St. Jansbeek is te zien, tussen de Sonsbeekweg en de Sonsbeeksingel aan het Bothaplein, daar heeft eens de Prümerwatermolen gestaan. Het was een degelijk gebouwde molen met één waterrad en vier paar stenen, waarvan er twee werden gebruikt voor het malen van graan tot meel en één paar voor het malen van eikenschors tot run.

De De Wetstraat is evenwijdig aan de Apeldoornseweg aangelegd. Een logische aanvulling om zoveel mogelijk woningen te kunnen bouwen. Bijzonder is dat de puntvorm overruimte genereert die niet binnen de bouwblokken is gehouden voor grotere achtertuinen, maar in driehoeksvorm (Bothaplein, Paul Krugerparkje) erbuiten is komen te liggen. Zo werd een parkachtige omgeving gecreëerd voor woningen bestemd voor de gegoede burgerij. Aanvankelijk was de bedoeling dat in de Transvaalbuurt uitsluitend vrijstaande villa's zouden worden gebouwd. Na 1910 bleek dat welgestelden steeds vaker uitweken naar de aangrenzende dorpen Oosterbeek en Velp en werd dat idee losgelaten.

Moderne architectuur

De wijk Transvaal is verbonden met de voor die tijd (1900) moderne stromingen in de architectuur. Op de zuidwestelijke punt is, als een van de eerste gebouwen in de Transvaalbuurt, woonwinkelpand De Hooge Vlucht gebouwd met een bijzonder gedetailleerde gevel en opvallende ronde hoekoplossing. In opdracht van de heer Belderbos, handelaar in comestibles en koloniale waren, ontwierp architect Willem Diehl* deze voor Arnhem totaal nieuwe bouwvorm: Jugendstil (Diehl weigerde overigens dit etiket).
Samen met ontwikkelaar Hendrik Kooij jr. ontwierp dezelfde architect vele panden in de Transvaalbuurt. Diehl, afkomstig uit Den Haag, had in zijn beginperiode als architect veel ervaring opgedaan in Antwerpen. Deze invloed is duidelijk zichtbaar in diverse woongebouwen en men spreekt hier dan ook van de Antwerpse Art Nouveau. De aaneenschakeling van statige woningen met een symmetrische indeling zoals aan de Apeldoornseweg, hoek Paul Krugerstraat is daar een prachtig voorbeeld van.

Over 'De Hooge Vlucht' twee citaten uit een artikel van Menno Pols in de Gelderlander (18 mei 2019) die in Arnhem op stap is met Renée Koning en Janos Boros van Het Gelders Genootschap: "Schrille vormen en schreeuwende kleuren", zei de Arnhemse Schoonheidscommissie, een van de voorlopers van het Gelders Genootschap, toen dit gebouwd werd. Deze panden behoren nu volgens velen tot het mooiste dat Arnhem te bieden heeft. Maar daar werd honderd jaar geleden heel anders over gedacht. Boros: "Men noemde de Jugendstil behaagziek en bovendien niet Gelders. De heersende opvatting was onder architecten in deze streek dat gebouwen eenvoudig, doelmatig en traditioneel moesten zijn."

Het latere werk van Diehl wordt beïnvloed door de cottagestijl. Zo staan halverwege de Paul Krugerstraat aaneengeschakelde woningen met houten balkons. Je moet goed kijken om te zien dat ze gespiegeld zijn ten opzichte van het midden. Naast Diehl waren ook andere architecten in dit gebied werkzaam zoals Willem Welsing.

Huidige situatie

De Transvaalbuurt onderscheidt zich van de oostelijk gelegen Arnhemse wijken door chique woningen met nagenoeg zonder uitzondering een mooie erker en grote luifel bij de voordeur. Ook staan om de voortuinen nog heel vaak de oorspronkelijke hekwerken, die al bij de bouw zijn geplaatst. Het centrum van de wijk is het Bothaplein waar Paul Kruger- en Steijnstraat bij elkaar komen. Met een brede overkluizing van de Jansbeek lopen ze richting Zijpse Poort.
De smeedijzeren Jugendstil brugleuningen met lantaarns vormen het hart van deze plek. Niet alleen de ruime opzet maar ook de waterval onder de brug zijn stille getuigen van de Prümermolen die er voor de aanleg van de wijk stond.
Deze ruimte wordt gemarkeerd door vier uitgesproken hoekgebouwen: westelijk hotel Molendal (1903) met aan de andere kant van de Cronjéstraat het kantoorgebouw 'Beek en Dal'. Dit gebouw gaat minder mooi de hoek om zeker in vergelijking met de gebouwen aan de andere zijde vande Cronjéstraat. Oostelijk aan het Bothaplein het gebouw met de letters GL (Gelderse Leergangen) op de gevel en de woning 'Zonneweelde' (deze laatste twee zijn van Diehl).

Verbinding met park

Deze locatie heeft door de Jansbeek en het daarmee samenhangende ruime profiel een zeer sterke verbinding met het Sonsbeekpark. In de dwarsrichting doet de Paul Krugerstaat hetzelfde met het Sonsbeekkwartier en verbindt de Cronjéstraat via de Zijpse Poort Transvaal met het stadscentrum. Het centrum van de wijk heeft wel een sterke verbinding met de Steijnstraat, maar de oorspronkelijk aansluiting met Sint Marten is niet meer te ervaren.
De spitse zuidpunt van Transvaal met het pronkstuk van Diehl is meer gericht op de stad dan op het naastgelegen Burgemeesterskwartier. De verbrede opening van het viaduct en de brede stroken asfalt werken daar ook niet aan mee. De zuidkant, de Sonsbeeksingel, wordt gedomineerd door de spoordam, hoog vanwege de beekdal uitsnijding. Heb je op Sint Marten nog de ervaring van een drukke stad omdat daar de trein op zichthoogte rijdt, hier is het uitsluitend een visuele afsluiting van de stad: de rugzijde van de Transvaalbuurt. De Sonsbeekweg vormt daarmee een grote tegenstelling: hier hebben bewoners vanuit hun woningen een grandioos uitzicht op het Sonsbeekpark. Het is voelbaar dat Transvaal meer in dan aan het park is gebouwd. Daarom is het zo jammer dat dit voor de fysieke toegang tot het park volkomen anders ligt: Sonsbeek is hermetisch afgesloten. In de zuidhoek (beekdalzijde) kom je pas lopend langs de Zijpendaalseweg, ter hoogte van bezoekerscentrum de Molenplaats, in het park. Aan de noordzijde van de Sonsbeekweg is helemaal bovenaan een ingang die naar de Karpervijver leidt. Geen wonder dat bij grote evenementen veel mensen die uit het stadscentrum komen aan de Sonsbeekweg ter hoogte van de Jansbeek kiezen voor een pad door de weide naar de witte villa. Dat is hier spontaan ontstaan.

Paul Poelmans

Bronnen:

Ad Habets stedenbouwkundige, woonachtig in de Transvaalbuurt; werkt aan historisch onderzoek naar het ontstaan van deze buurt.

* Willem Diehl is de architect van een aantal andere bekende gebouwen in Arnhem: Vesta gebouw (Jansbuitensingel), Luxortheater (Willemsplein), Citroëngarage hoek Steenstraat/Spijkerlaan).


Geschiedenis van de Boerenstaat Transvaal

In 1632 stichtte Jan van Riebeeck op Kaap de Goede Hoop een bevoorradingsstation voor de schepen van de Oost-Indische Compagnie (VOC). De schepelingen leden tijdens de lange reis van Nederland naar Indië aan scheurbuik door een maandenlang gebrek aan vitamine C. Die vond men op de zuidelijkste punt van Afrika. Door verse groenten en vruchten kwamen de zeelieden de ziekte al snel te boven.

Gedurende de 17e en 18e eeuw vestigden zich steeds meer Europese calvinisten in de nederzetting, vooral Nederlanders. De Boeren vernietigden de cultuur van de oorspronkelijke bewoners, het Khoikhoi volk (Hottentotten) en het San volk (Bosjesmannen). Er werden slaven ingevoerd uit Madagaskar, Indië en India.

In 1795 bezetten de Engelsen de Kaap, die formeel in 1814 een Britse kolonie werd. Zij schaften in 1835 de slavernij af, waardoor grote spanningen ontstonden tussen de Boeren en Engelsen. De Boeren trokken naar het noorden en stichtten de Oranje Vrijstaat en de Zuid-Afrikaanse Republiek, ook wel Transvaal genoemd: de Grote Trek.

Toen daar omstreeks 1870 rijke diamant- en goudaders werden aangeboord, verjoegen de Boeren de Engelsen uit Transvaal tijdens de Eerste Boerenoorlog (1880-1881).

Van 1899-1902 werd de Tweede Boerenoorlog uitgevochten. In 1902 moesten de Boeren de Vrede van Vereniging sluiten.

Na het einde van de Tweede Boerenoorlog werd in 1910 de Unie van Zuid-Afrika gesticht: Kaapkolonie, Natal, Oranje Vrijstaat en Transvaal.

Hieronder vind je een korte beschrijving van de historische figuren waarnaar de straten in onze buurt zijn genoemd. (klik op de straatnaam)

transvaalwijk

Bothaplein

Cronjéstraat

De la Reijstraat

De Wetstraat

Paul Krugerstraat

Steijnstraat

""