De val van de laatste heer van Sonsbeek

Willem van Heeckeren moest landgoed verkopen, maar waarom eigenlijk?

door Ad Habets

Over de familie van Heeckeren die op Sonsbeek woonde is maar weinig bekend. Men spreekt altijd over 'baron van Heeckeren' alsof het één persoon betreft, maar tussen 1820 en 1898 woonden er drie generaties baronnen Van Heeckeren op Sonsbeek. Het bleef altijd vaag waarom de laatste van Heeckeren het landgoed verkocht. 'Familieomstandigheden', zei men. Wat was er aan de hand?

Willem van Heeckeren van Enghuizen was de jongste kleinzoon van Hendrik Jacob Carel Jan van Heeckeren, de stichter van Groot Sonsbeek. Willem werd geboren op 3 juli 1858. Zijn broer Henri was een jaar ouder. Ze waren nog peuters toen hun vader Louis werd opgenomen in het krankzinnigengesticht Meerenberg. Tien maanden later overleed hun moeder Francina. Willem en Henri waren dus al vroeg wees. Ze zouden opgroeien op Sonsbeek, geleid door voogden en bemoederd door dienstpersoneel.

Tot hun vroegste indrukken in het witte huis op de heuvel behoorden een grootmoeder, die eenzijdig verlamd op haar einde wachtte (dat kwam in 1860) en een grootvader die langzaam bezweek aan reuma en jicht. Hij overleed in mei 1862, 77 jaar oud.

Het echtpaar Van Heeckeren-Hope liet een fortuin na. De helft kwam direct op de naam van de jongens, de andere helft, waaronder het landgoed Sonsbeek, zou hun pas in 1883 toevallen, nadat hun vader in het gesticht was overleden. Het fortuin bestond uit grondbezit en staatsobligaties. Het grondbezit omvatte niet alleen het landgoed Sonsbeek zoals wij het nu kennen, de 67 hectaren park rond de witte villa, zelfs niet de 500 hectaren Sonsbeek, die de gemeente Arnhem in 1899 in handen kreeg, het ging om een veelvoud daarvan. Naar het zuiden toe reikte hun bezit tot de stadssingel (later tot de spoorweg), naar het zuidwesten tot de Amsterdamseweg, naar het oosten tot de Hommelseweg.

Noordwaarts strekte het zich uit tot de Koningsweg. Daarboven lag de heide van Schaarsbergen en Otterlo. Voorbij het gehucht Laag Deelen was ook deze heide eigendom van de Van Heeckerens. De lange dreven die men daar nu aantreft zijn nog door de oude Van Heeckeren aangelegd. De heide en zandverstuivingen werden beplant met grove den. Het nieuwe bos werd Deelerwoud genoemd. Het was ruim 1.400 hectare groot en diende als jachtgebied. De noordgrens werd bepaald door Varenna, het landgoed van de Velpse familie Del Court van Krimpen.

Inclusief Sonsbeek bezat de familie Van Heeckeren ten noorden van de stad Arnhem 25 vierkante kilometer bouwland, bos en woeste grond. Maar dat was niet alles, want men had ook nog onroerend goed in Hummelo (landgoed Enghuizen), Werkhoven (landgoed Beverweerd), Steenderen, Elden (De Stoeterij), Arnhem (Kleefse Waard) en een dubbel woonhuis aan de Lange Voorhout in Den Haag. Tiendrechten, pachten en verkoop van hout, rogge en gras brachten jaarlijks nog eens tienduizenden guldens in het laatje.

Door deze omvangrijke bezittingen behoorde de familie Van Heeckeren-Hope tot de allerrijksten van het land. Verder ontvingen ze elk half jaar zo'n 40.000 gulden rente op beleggingen in Nederlandse staatsschuld. Tegenover deze rijkdom stond het verlies van drie van hun kinderen en kort voordat ze zelf overleden, moesten ze hun jongste zoon Louis laten opnemen in het krankzinnigengesticht Meerenberg.

Van 1863 tot 1870 vermeldde het adresboek van Arnhem als bewoner van Sonsbeek:
F.F.J.H. van Heeckeren van de Cloese (1799-1870). Dat was de grootvader van Henri en Willem van moederszijde. Hij werd hun eerste voogd en voerde daarnaast het beheer over de nalatenschap van zijn schoonzoon Louis. Frederik van Heeckeren was getrouwd met Anna Maria Schas. Hij was al 64 toen hij Henri en Willem opnam in zijn gezin. Toen Frederik in 1870 overleed volgde Jan Werner van Pallandt hem op als voogd en curator.

Eerste verkoopgolf

Vader Louis overleed op 17 juli 1883 na een verblijf van 23 jaar in Meerenberg. De lawine van onroerendgoedtransacties die na zijn dood losbarstte doet vermoeden dat voor zeker één persoon zijn dood als geroepen kwam: zoon Willem. Daarover later meer. Willem was op zijn 19e getrouwd met een verre nicht, Charlotte van Heeckeren van Molecaten, een door zijn stiefmoeder gearrangeerd huwelijk. Zij hadden een dochter Marguérite. Willem woonde met zijn gezin op Sonsbeek. Samen met zijn broer Henri werd Willem eigenaar van het Van Heeckerenfortuin. Op 1 december 1883 verdeelden zij alvast een deel van het onroerend goed. Willem kreeg Sonsbeek met omliggende landerijen en een uiterwaard bij Olburgen. Henri kreeg Enghuizen en ging daar ook wonen. Direct na de verdeling gaf Willem de notaris opdracht om delen van zijn bezit te verkopen.

Wat betreft de Arnhemse bezittingen ging het om de gronden 'gelegen tussen de Amsterdamsche en Zijpendaalsche wegen en tussen de Apeldoornsche en Hommelsche wegen', gronden dus buiten het omheinde gedeelte van Sonsbeek, die verpacht waren als akker en moesgrond. De notaris liet er geen gras over groeien. In januari 1884 plaatste hij een advertentie waarin de veiling werd aangekondigd van gronden in Steenderen, Elden en Arnhem, alle eigendom van Willem van Heeckeren. Daarnaast verkocht Willem de hofstede Vagevuur in Odijk, onderdeel van het landgoed Beverweerd, aan zijn broer.

De Arnhemse gronden tussen de Apeldoornscheweg, Hommelscheweg en Sonsbeeksingel werden verworven door enkele boeren uit Sint Marten en een nieuwkomer, Thomas Etty. Deze kocht het grootste deel en zou daarop de nieuwe wijk Sint Marten stichten. Aan de andere kant van Sonsbeek, boven de Zijpendaalseweg, werden de gronden onderhands verkocht. De notaris benaderde villabewoners aan de Amsterdamseweg en bood ze grond aan de overkant van de straat aan. De meesten lieten de kans niet voorbijgaan om zich door de koop te verzekeren van een blijvend vrij uitzicht over het dal van de Sint Jansbeek. Ook zes pachters aan de Zijpendaalseweg gingen over tot aankoop van hun grond. Het resterende grootste stuk ging ook hier naar Thomas Etty. Willem van Heeckeren haalde met de grondverkopen in Arnhem, Elden, Steenderen en Odijk ruim 800.000 gulden op, waarvan de helft uit Sonsbeek. Het was een noodsprong.

Want toen hij eind 1883 opdracht gaf te verkopen zat hij danig In het nauw. Op 25 april 1883 was in de Arnhemsche Courant onder de rubriek Rechtszaken dit berichtje verschenen: "Bij vonnis der Arrondissements-rechtbank te Arnhem dd. 24 april ll. zijn veroordeeld op grond van art. 334 C.P. al.1 enz.: 1e M. Krijlen, vrouw van Besoijen tot eene gevangenisstraf van 2 jaar en eene boete van ƒ25; 2e F.Ch.J. Krijlen tot eene gevangenisstraf van 6 maanden en eene boete van ƒ25; 3e W.A.M. baron van Heeckeren tot eene cellulaire gevangenisstraf van 6 maanden en eene boete van ƒ25."

De krant was niet erg expliciet over het misdrijf, maar heel Arnhem wist wat er aan de hand was. Artikel 334 handelde over ontucht met minderjarigen. Minderjarig betekende in dit geval: jonger dan 21. Hoofdbeklaagde was Maria Krijlen, een vrouw van 39, naaister van beroep, de tweede haar jongere broer Frederik, een werkloze man die in ruil voor kost en inwoning zijn zuster hand- en spandiensten verleende. Zij woonden in een bovenhuis aan de Rozendaalseweg. De twee hadden hun daden bekend en werden bij verstek veroordeeld.

Willem van Heeckeren verscheen wel ter zitting, bijgestaan door advocaat Van Geleijn Vitringa. Hij werd beschuldigd van het uitlokken en plegen van ontucht met minderjarige vrouwen, die hem op afspraak door de Krijlens werden toegespeeld. De ontucht was gepleegd in het najaar van 1882. Willem was toen 24 jaar, vijf jaar getrouwd en vader van een dochter van 4. Uit het vonnis wordt duidelijk wat er was voorgevallen. Van Heeckeren had vrouw Krijlen voorgesteld hem regelmatig tegen betaling meisjes op Sonsbeek te bezorgen. Ze moesten maagd zijn en hij wilde geen meisje vaker dan twee keer. Blijkbaar wilde hij de kans op een geslachtsziekte uitsluiten. Ze moesten ook lang zijn. Dat had te maken met zijn eigen postuur. Eén van de vrouwen getuigde dat zij op Sonsbeek gemeenschap had gehad 'met een langen heer met eene snor en een lorgnet voor de oogen'. De meisjes moesten worden gebracht op een afgesproken plek in het bos van Sonsbeek. Als er een oproep van Van Heeckeren kwam, bracht Frederik Krijlen een meisje samen met zijn zuster naar Sonsbeek.

Ze liepen dan 's avonds de Apeldoornseweg omhoog, die toen nog smal en donker was. Bij het bos van Sonsbeek aangekomen ging vrouw Krijlen met het meisje verder 'links langs het rasterwerk' en gaf haar over aan de baron.

De meeste vrouwen herkenden tijdens de rechtszitting Willem van Heeckeren als hun klant. Uit de beschrijving valt op te maken dat de ontmoetingen plaatsvonden in het bos boven de karpervijver. Van Heeckeren ontkende dat hij eisen had gesteld aan de leeftijd, maar gaf toe dat hij een voorkeur had voor lange vrouwen. Hij kreeg niet de langste straf, wel de zwaarste. Hij werd veroordeeld tot een half jaar gevangenis maar moest die 'vanwege zijn geaardheid' doorbrengen in eenzame opsluiting. Willem ging in beroep tot de hoogste instantie, maar het baatte niet. Ook zijn gratieverzoek bij de koning werd afgewezen. Op 30 januari 1884 meldde hij zich bij de cellulaire gevangenis aan de Weteringschans in Amsterdam. Maar zes weken na binnenkomst stond hij alweer buiten. De gevangenisarts had vrijlating geadviseerd omdat Willem tekenen van krankzinnigheid zou vertonen. Hij zou erfelijk belast kunnen zijn, want zijn vader Louis was immers ook krankzinnig geworden. De Haagsche Courant suggereerde een opzetje rond de snelle vrijlating: 'Daar komt die sinjeur goed af. Men moet maar baron van Heeckeren heten.'

Voor Willem was de ellende nog niet voorbij, want zijn vrouw vroeg echtscheiding aan 'op grond van overspel door den man gepleegd' dat door de rechter werd ingewilligd, met alle gevolgen van dien. Zij waren buiten gemeenschap van goederen getrouwd, maar de wet voorzag in een alimentatieplicht voor de verliezende partij, gerelateerd aan diens vermogen. Charlotte nam mr. Izaak Everts als advocaat om voor haar te onderhandelen. Dochter Marguérite werd uiteraard aan haar toegewezen. Voor het levensonderhoud van haarzelf en haar dochter werd een bedrag van 24.000 gulden per jaar bedongen. Bovendien mocht Charlotte het landgoed verkopen als Willem niet netjes betaalde. Het kwam Willem daarom goed uit dat zijn vader in 1883 overleed. Door een deel van zijn erfenis te gelde te maken kon hij aan zijn financiële verplichtingen voldoen. Eind 1883 passeerden de eerste verkoopakten, in november 1885 de laatste. Executie van Sonsbeek was (nog) niet nodig.

Louis Francina Marguérite
Louis van Heeckeren (1830-1883)
Willems vader
portret door Anton Einsle, 1851
Francina van Heeckeren (1826-1861)
Willems moeder
portret door Johann Georg Schwartze, 1856
Marguérite van Heeckeren (1878-1938)
Willems dochter
olieverf door Adolf Pirsch, 1909

Dit is het eerste deel van een serie over het geslacht Van Heeckeren door Ad Habets. Het tweede en laatste deel verwachten wij eind december.


Transvaalbuurt was wisselgeld

bij aankoop van Sonsbeekpark

Projectontwikkelaar Kooij verwierf landgoed Sonsbeek eind 19e eeuw van de in geldnood verkerende baron W.F.M.H. van Heeckeren. Zijn exploitatiemaatschappij verkocht vervolgens in 1899 het grootste deel aan de gemeente Arnhem maar bedong dat hij nauw betrokken zou worden bij de ontwikkeling van de nog aan te leggen Transvaalbuurt. Daarmee werd voorkomen dat een grootschalige kap van bomen het gebied zou ruïneren. Want dat was het plan van de baron.

Wat zien we nog terug van de oorspronkelijke situatie voordat de Transvaalbuurt werd gebouwd? Van grofweg 1300 tot 1800 werd het landschap bepaald door het dal van de Jansbeek waar tot aan de stadsrand zeven molens draaiden. Toen de hoge spoordam werd aangelegd ontstond een totaal andere situatie: hiermee werd de visuele verbinding met de stad verbroken.

Citaat Joop Morsink: Vroeger, voor de aanleg van de spoordijk in 1853 en de parken Sonsbeek, Zijpendaal en Gulden Bodem, kon men vanaf de stad in de lengterichting door het beekdal omhoog kijken tot aan kasteel Zijpendaal. Het moet een indrukwekkend gezicht zijn geweest: het lange beekdal waar verscholen tussen de struwelen de watermolens draaiden. Op de flauwe hellingen van het beekdal zien we aan de linkerzijde heidevelden en aan de rechterzijde gras- en bouwlanden.

In 1898 koopt NV Maatschappij tot Exploitatie van het landgoed Sonsbeek van baron W. van Heeckeren een gebied van in totaal 815 hectare voor 750.000 gulden. De baron verblijft in Parijs, jaagt daar zijn geld erdoor en heeft dus voortdurend financiële aanvoer uit Arnhem nodig. Houthandelaar Hendrik Kooij is, naast bankier Berends, oprichter van de exploitatiemaatschappij. Hij zou grote invloed hebben op de ontwikkeling van de Transvaalbuurt.

Park blijft park

De gemeente Arnhem koopt een jaar na de transactie van de NV met de baron 507 hectare grond voor 800.000 gulden. De ontwikkelaar maakt daarmee dus al een aardige winst. De stad heeft op deze wijze de positie te eisen dat het gebied van park Sonsbeek vrij blijft van bebouwing. De toenmalige directeur gemeentewerken ir. J.W.C. van Tellegen heeft hierin een zeer belangrijke rol gespeeld. Hij haalt het stadsbestuur over deze grote investering te verrichten in het belang van de gemeenschap. In het resterend stuk grond, De Punt, kan Kooij de bouw en exploitatie van panden ter hand nemen. De gemeente stelt als voorwaarde dat zij het stratenpatroon bepaalt en aanlegt, die kosten zijn in de koopsom verwerkt.

Stratenpatroon

Aan de noordwestzijde wordt de Transvaalbuurt begrensd door de Sonsbeekweg met daarnaast park Sonsbeek. In het oosten vormt de Apeldoornseweg de grens met de wijk Sint Marten. De zuidelijk begrenzing vormt de Sonsbeeksingel met de hoge spoordam. Aan de westkant ligt de Zijpendaalseweg met de Burgemeesterswijk. Voor de hoofdontsluiting, de Paul Krugerstraat, werd één van de stervormig verlopende wegen verlengd van het Sonsbeekkwartier, de Jacob Cremerstraat. De Steijnweg volgt het tracé van een oude veldweg die in Sint Marten naar het noorden afbuigt. Bij het Bothaplein stond aan de Jansbeek de Prümermolen. Rond 1900 is die afgebroken en werd op deze plek een brede brug over de Jansbeek gelegd.

Citaat Joop Morsink: Waar momenteel de De la Reijstraat met waterpartijen en een fraaie Jugendstilbrug over de St. Jansbeek is te zien, tussen de Sonsbeekweg en de Sonsbeeksingel aan het Bothaplein, daar heeft eens de Prümerwatermolen gestaan. Het was een degelijk gebouwde molen met één waterrad en vier paar stenen, waarvan er twee werden gebruikt voor het malen van graan tot meel en één paar voor het malen van eikenschors tot run.

De De Wetstraat is evenwijdig aan de Apeldoornseweg aangelegd. Een logische aanvulling om zoveel mogelijk woningen te kunnen bouwen. Bijzonder is dat de puntvorm overruimte genereert die niet binnen de bouwblokken is gehouden voor grotere achtertuinen, maar in driehoeksvorm (Bothaplein, Paul Krugerparkje) erbuiten is komen te liggen. Zo werd een parkachtige omgeving gecreëerd voor woningen bestemd voor de gegoede burgerij. Aanvankelijk was de bedoeling dat in de Transvaalbuurt uitsluitend vrijstaande villa's zouden worden gebouwd. Na 1910 bleek dat welgestelden steeds vaker uitweken naar de aangrenzende dorpen Oosterbeek en Velp en werd dat idee losgelaten.

Moderne architectuur

De wijk Transvaal is verbonden met de voor die tijd (1900) moderne stromingen in de architectuur. Op de zuidwestelijke punt is, als een van de eerste gebouwen in de Transvaalbuurt, woonwinkelpand De Hooge Vlucht gebouwd met een bijzonder gedetailleerde gevel en opvallende ronde hoekoplossing. In opdracht van de heer Belderbos, handelaar in comestibles en koloniale waren, ontwierp architect Willem Diehl* deze voor Arnhem totaal nieuwe bouwvorm: Jugendstil (Diehl weigerde overigens dit etiket).
Samen met ontwikkelaar Hendrik Kooij jr. ontwierp dezelfde architect vele panden in de Transvaalbuurt. Diehl, afkomstig uit Den Haag, had in zijn beginperiode als architect veel ervaring opgedaan in Antwerpen. Deze invloed is duidelijk zichtbaar in diverse woongebouwen en men spreekt hier dan ook van de Antwerpse Art Nouveau. De aaneenschakeling van statige woningen met een symmetrische indeling zoals aan de Apeldoornseweg, hoek Paul Krugerstraat is daar een prachtig voorbeeld van.

Over 'De Hooge Vlucht' twee citaten uit een artikel van Menno Pols in de Gelderlander (18 mei 2019) die in Arnhem op stap is met Renée Koning en Janos Boros van Het Gelders Genootschap: "Schrille vormen en schreeuwende kleuren", zei de Arnhemse Schoonheidscommissie, een van de voorlopers van het Gelders Genootschap, toen dit gebouwd werd. Deze panden behoren nu volgens velen tot het mooiste dat Arnhem te bieden heeft. Maar daar werd honderd jaar geleden heel anders over gedacht. Boros: "Men noemde de Jugendstil behaagziek en bovendien niet Gelders. De heersende opvatting was onder architecten in deze streek dat gebouwen eenvoudig, doelmatig en traditioneel moesten zijn."

Het latere werk van Diehl wordt beïnvloed door de cottagestijl. Zo staan halverwege de Paul Krugerstraat aaneengeschakelde woningen met houten balkons. Je moet goed kijken om te zien dat ze gespiegeld zijn ten opzichte van het midden. Naast Diehl waren ook andere architecten in dit gebied werkzaam zoals Willem Welsing.

Huidige situatie

De Transvaalbuurt onderscheidt zich van de oostelijk gelegen Arnhemse wijken door chique woningen met nagenoeg zonder uitzondering een mooie erker en grote luifel bij de voordeur. Ook staan om de voortuinen nog heel vaak de oorspronkelijke hekwerken, die al bij de bouw zijn geplaatst. Het centrum van de wijk is het Bothaplein waar Paul Kruger- en Steijnstraat bij elkaar komen. Met een brede overkluizing van de Jansbeek lopen ze richting Zijpse Poort.
De smeedijzeren Jugendstil brugleuningen met lantaarns vormen het hart van deze plek. Niet alleen de ruime opzet maar ook de waterval onder de brug zijn stille getuigen van de Prümermolen die er voor de aanleg van de wijk stond.
Deze ruimte wordt gemarkeerd door vier uitgesproken hoekgebouwen: westelijk hotel Molendal (1903) met aan de andere kant van de Cronjéstraat het kantoorgebouw 'Beek en Dal'. Dit gebouw gaat minder mooi de hoek om zeker in vergelijking met de gebouwen aan de andere zijde vande Cronjéstraat. Oostelijk aan het Bothaplein het gebouw met de letters GL (Gelderse Leergangen) op de gevel en de woning 'Zonneweelde' (deze laatste twee zijn van Diehl).

Verbinding met park

Deze locatie heeft door de Jansbeek en het daarmee samenhangende ruime profiel een zeer sterke verbinding met het Sonsbeekpark. In de dwarsrichting doet de Paul Krugerstaat hetzelfde met het Sonsbeekkwartier en verbindt de Cronjéstraat via de Zijpse Poort Transvaal met het stadscentrum. Het centrum van de wijk heeft wel een sterke verbinding met de Steijnstraat, maar de oorspronkelijk aansluiting met Sint Marten is niet meer te ervaren.
De spitse zuidpunt van Transvaal met het pronkstuk van Diehl is meer gericht op de stad dan op het naastgelegen Burgemeesterskwartier. De verbrede opening van het viaduct en de brede stroken asfalt werken daar ook niet aan mee. De zuidkant, de Sonsbeeksingel, wordt gedomineerd door de spoordam, hoog vanwege de beekdal uitsnijding. Heb je op Sint Marten nog de ervaring van een drukke stad omdat daar de trein op zichthoogte rijdt, hier is het uitsluitend een visuele afsluiting van de stad: de rugzijde van de Transvaalbuurt. De Sonsbeekweg vormt daarmee een grote tegenstelling: hier hebben bewoners vanuit hun woningen een grandioos uitzicht op het Sonsbeekpark. Het is voelbaar dat Transvaal meer in dan aan het park is gebouwd. Daarom is het zo jammer dat dit voor de fysieke toegang tot het park volkomen anders ligt: Sonsbeek is hermetisch afgesloten. In de zuidhoek (beekdalzijde) kom je pas lopend langs de Zijpendaalseweg, ter hoogte van bezoekerscentrum de Molenplaats, in het park. Aan de noordzijde van de Sonsbeekweg is helemaal bovenaan een ingang die naar de Karpervijver leidt. Geen wonder dat bij grote evenementen veel mensen die uit het stadscentrum komen aan de Sonsbeekweg ter hoogte van de Jansbeek kiezen voor een pad door de weide naar de witte villa. Dat is hier spontaan ontstaan.

Paul Poelmans

Bronnen:

Ad Habets stedenbouwkundige, woonachtig in de Transvaalbuurt; werkt aan historisch onderzoek naar het ontstaan van deze buurt.

* Willem Diehl is de architect van een aantal andere bekende gebouwen in Arnhem: Vesta gebouw (Jansbuitensingel), Luxortheater (Willemsplein), Citroëngarage hoek Steenstraat/Spijkerlaan).


Geschiedenis van de Boerenstaat Transvaal

In 1632 stichtte Jan van Riebeeck op Kaap de Goede Hoop een bevoorradingsstation voor de schepen van de Oost-Indische Compagnie (VOC). De schepelingen leden tijdens de lange reis van Nederland naar Indië aan scheurbuik door een maandenlang gebrek aan vitamine C. Die vond men op de zuidelijkste punt van Afrika. Door verse groenten en vruchten kwamen de zeelieden de ziekte al snel te boven.

Gedurende de 17e en 18e eeuw vestigden zich steeds meer Europese calvinisten in de nederzetting, vooral Nederlanders. De Boeren vernietigden de cultuur van de oorspronkelijke bewoners, het Khoikhoi volk (Hottentotten) en het San volk (Bosjesmannen). Er werden slaven ingevoerd uit Madagaskar, Indië en India.

In 1795 bezetten de Engelsen de Kaap, die formeel in 1814 een Britse kolonie werd. Zij schaften in 1835 de slavernij af, waardoor grote spanningen ontstonden tussen de Boeren en Engelsen. De Boeren trokken naar het noorden en stichtten de Oranje Vrijstaat en de Zuid-Afrikaanse Republiek, ook wel Transvaal genoemd: de Grote Trek.

Toen daar omstreeks 1870 rijke diamant- en goudaders werden aangeboord, verjoegen de Boeren de Engelsen uit Transvaal tijdens de Eerste Boerenoorlog (1880-1881).

Van 1899-1902 werd de Tweede Boerenoorlog uitgevochten. In 1902 moesten de Boeren de Vrede van Vereniging sluiten.

Na het einde van de Tweede Boerenoorlog werd in 1910 de Unie van Zuid-Afrika gesticht: Kaapkolonie, Natal, Oranje Vrijstaat en Transvaal.

Hieronder vind je een korte beschrijving van de historische figuren waarnaar de straten in onze buurt zijn genoemd. (klik op de straatnaam)

transvaalwijk

Bothaplein

Cronjéstraat

De la Reijstraat

De Wetstraat

Paul Krugerstraat

Steijnstraat

""